Jan de Bie tekent, schildert of snijdt geen polders na, geen duivenhokken, geen oude bibliotheken, zoals die van Troyes, geen foto van James Joyce die in het Parijs van de jaren dertig op bezoek is bij de dames Beach en Monnier, bij boekhandel en uitgeverij Shakespeare & Company.
Jan de Bie laat alles opnieuw ontstaan en plaatsvinden vanuit de hem zo typerende blik op de wereld, op papier, op doek, op een plank. Hij herbouwt en verbouwt wat wij allemaal wel eens gezien hebben tot beelden die door en door bezeten en doordrongen zijn van De Bie.
Joyce in de boekenwinkel, aan tafel, en een berg boeken die van de tafel af de ruimte ingroeit, en achter Joyce om versmelt met de boeken in de kasten rondom. Die woeker van boeken, vanaf de tafel, de stapels ernaast en verder de ruimte in, vertoont op onderdeel tekenen van huizenbouw, en zou een zicht op een stukje Dublin kunnen zijn. Joyce, voor de helft verzonken in de boekenchaos, met daarin een idee van Dublin aan zijn voeten.
Op de oorspronkelijke foto is daarvan niets terug te vinden. Keurig opgeruimd winkeltje, alles aan kant. Toch heeft De Bie in de rust van deze vervlogen orde onrust en wanorde geproefd, naar voren gehaald en zichtbaar gemaakt, en daarom laat hij polders, duivenhokken, bibliotheken, of oude foto's opnieuw ontstaan, in zijn handen, onder zijn eigen ogen.
De Bie's herscheppingen van de wereld, van het deel van de wereld althans dat hem weet te boeien, - naast het genoemde, postduiven vooral, en de liefhebbers daarvan, en Elvis - zijn aantrekkelijker dan de wereld zelf in veel gevallen is. In hun incompleetheid wellicht, in hun sublimatie van stomtoevalligheden. Of omdat dingen hun plek lijken gevonden te hebben.
De beelden zijn helder, en wekken bovendien de schijn dat het in werkelijkheid zo is, en altijd geweest is ook.
Het beeld dat wij hebben van wat De Bie verbeeldt, wordt gewist en vervangen door het beeld dat De Bie ervan gemaakt heeft, en zó zijn duivenkotten, zó ziet Elvis eruit wanneer Buddy Holly hem van om de hoek beloert.
De Bie heeft wat voor ons details zijn, tot hoofdzaak gemaakt. Kachelpijpen toegevoegd of weggelaten, Joyce aan de andere kant van de tafel neergezet, en het idee van Dublin dat in de boeken aan de voeten van Joyce verschijnt krijgt met de kachelpijp een schoorsteen die zijn rook boven de rand van de prent uitstoot.
Wanneer Jan de Bie op pad gaat, door de stad slentert, in de trein zit, of een praatje maakt, komt hij altijd toevallig wat tegen, en die toevallige ontmoeting met iets op zijn weg, vormt bijna zonder uitzondering een noodzakelijk element voor een beeldend werk waarop hij lijkt te hebben zitten wachten.
Alles wat gebeurt, wat plaatsvindt, heeft zijn oorzaak. Iets kan niet zonder oorzaak plaatsvinden. Toeval handelt in essentie dan ook over onbegrip. Over gemis aan kennis, gebrek aan inzicht in aard en gang der dingen. Het toeval, als entiteit, bestaat niet, en als verzameling van gebeurtenissen is het dan ook slechts een verzameling van wat niet begrepen wordt.
Wij zijn blind voor wat het toeval beweegt. Wij! Jan niet. Voor hem is het toevallige iets vanzelfsprekends, en een heel normale zaak: dat hij tegen gaat komen wanneer hij niet oplet, dat hij wat vindt wanneer hij niet zoekt, dat hij wat ziet wanneer hij niet kijkt. De Bie bedient zich op zijn eigen wenken.